In de eerste Nieuwsbrief Loonheffingen 2023 van de Belastingdienst is vermeld dat de gerichte vrijstelling voor de onbelaste thuiswerkvergoeding in 2023 wordt verhoogd naar € 2,15 per thuisgewerkte dag. Eerder was meegedeeld dat de vrijstelling zou worden verhoogd tot € 2,13. In 2022 is het bedrag van de vrijstelling € 2,00 per dag.
Belastingen en Accountancy
De leeftijd waarop iemand recht heeft op een AOW-uitkering en de leeftijd waarop iemand recht op een AOW-uitkering begint op te bouwen, zijn gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Op dit moment bedraagt de AOW-leeftijd 67 jaar en de aanvangsleeftijd 17 jaar. Afhankelijk van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd worden deze leeftijden aangepast.
Het CBS heeft recent de raming van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd voor 2028 en 2034 bekend gemaakt. In 2028 bedraagt de geschatte levensverwachting op 65-jarige leeftijd 21,05 jaar. In 2034 is dit 21,73 jaar. De AOW-leeftijd voor 2028 wordt op grond van deze prognose en de daarvoor geldende formule vastgesteld op 67 jaar en 3 maanden. De aanvangsleeftijd voor 2028 wordt vastgesteld op 17 jaar en 3 maanden.
De pensioenrichtleeftijd is op een vergelijkbare manier gekoppeld aan de levensverwachting, maar stijgt anders dan de AOW-leeftijd met stappen van een heel jaar. Op grond van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in 2034 blijft de pensioenrichtleeftijd in 2024 68 jaar. Wanneer de Wet toekomst pensioenen zoals beoogd per 1 juli 2023 in werking treedt, is de fiscale pensioenrichtleeftijd alleen nog van belang voor het dan geldende overgangsrecht.
De Tweede Kamer heeft op 10 november 2022 het pakket Belastingplan 2023 aangenomen. Ook de al voor Prinsjesdag ingediende wetsvoorstellen Fiscale verzamelwet 2023 en Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling digitale platformeconomie zijn aangenomen. Het wetsvoorstel overgangsperiode bij de invoering van een mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens is aangehouden.
Wel zijn in de ingediende voorstellen enkele wijzigingen aangebracht.
- De toepassing van een verlaagd tarief van de energiebelasting en de uitzondering van de opslag duurzame energie- en klimaattransitie voor laadpalen voor elektrische voertuigen is verlengd tot 1 januari 2025.
- De accijns op rooktabak wordt per 1 april 2023 en per 1 april 2024 verder verhoogd. Het tarief per 1 april 2023 komt uit op € 216,64 en per 1 april 2024 op € 266,98 per kilogram rooktabak.
- Het algemene tarief van de kansspelbelasting wordt verder verhoogd met 0,2 procentpunt tot 29,5%.
- Met ingang van 1 januari 2024 wordt de eerste schijf in de energiebelasting voor aardgas in tweeën gedeeld. De nieuwe eerste schijf loopt van 0 tot 1.200 m3. De nieuwe tweede schijf loopt van 1.200 tot 170.000 m3. Ook de eerste schijf in de energiebelasting voor elektriciteit wordt per 1 januari 2024 opgedeeld. De eerste schijf loopt dan tot 2.900 kWh. De tweede schijf loopt van 2.900 tot 10.000 kWh.
- De voorgestelde verhoging van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken per 1 januari 2023 gaat niet door. Dat geldt ook voor de verhoging van het laagste tarief van de bieraccijns per 1 januari 2023.
- De anti-peildatumarbitragebepaling uit de Overbruggingswet box 3 wordt in 2024 geëvalueerd.
- De voorgestelde verruiming van het lage-inkomensvoordeel (LIV) voor 2024 is vervallen.
Inleiding
Op 30 december jl. heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak, waarin een gemeente een bijdrage had ontvangen uit het BTW compensatiefonds (hierna: BCF) ter zake van de gescheiden inzameling van afvalstromen. Voorheen was dit ook de gebruikelijke verwerkingswijze van de btw. Het ministerie heeft in haar brief van 12 november 2019 echter aangegeven dat de bijdragen van stichting Afvalfonds moet worden aangemerkt als een btw-belaste vergoeding, waardoor de btw over de kosten ook niet gecompenseerd moeten worden bij het BCF, maar moeten worden teruggevraagd op aangifte. Dit moet vervolgens worden gecorrigeerd met vijf jaar terugwerkende kracht. Belanghebbende gaat hierover in beroep.
Ter zitting zijn tevens de zaken van tien andere gemeenten behandeld over dit onderwerp.
Uitspraak Rb. Den Haag
Economische activiteit
Ten eerste oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een economische activiteit. Er is sprake van een dienst die onder bezwarende titel wordt verricht.
Ondernemer of overheid
Nu is vastgesteld dat sprake is van een economische activiteit, moet worden beoordeeld of de gemeente handelt als overheid.
Artikel 13 van de Btw-richtlijn bepaalt namelijk dat: “De staat, de regio’s, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.
Om te kwalificeren voor ‘handelen als overheid’ geldt dat moet worden voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
-
- Het moet gaan om een publiekrechtelijk lichaam;
-
- Het publiekrechtelijk lichaam handelt onder een specifiek voor haar geldend regime;
-
- Het publiekrechtelijk lichaam treedt niet in concurrentie met privaatrechtelijke marktpartijen.
Gemeenten zijn volgens de Wet Milieubeheer verplicht zijn om minstens eenmaal per week het huishoudelijk afval in te zamelen. Zij hebben daarbij een verplichting om groente-fruit- en tuinafval gescheiden in te zamelen. Het scheiden van glas, papier, karton, hout en metaal is geen wettelijke taak van de gemeente. De scheiding van dit afval (of het gescheiden inzamelen) is een verplichting die rust bij het verpakkend bedrijfsleven, op basis van het Besluit beheer verpakkingen 2014 (Bbv).
Hieruit volgt reeds dat geen sprake kan zijn van een specifiek voor de gemeente geldend juridisch regime. De gemeente handelt hierdoor niet als overheid, maar wordt aangemerkt als ondernemer voor de Btw. Derhalve heeft zij volgens het oordeel van de rechtbank onterecht aanspraak gemaakt op een bijdrage uit het BCF.
Belastingrente
In betreffende zaak heeft de Belastingdienst tevens belastingrente in rekening gebracht bij de gemeente, waartegen zij tevens bezwaar heeft gemaakt.
Rechtbank Den Haag heeft hierbij geoordeeld, in lijn met eerdere jurisprudentie (zie hiervoor onze nieuwsbrief van 14 december 2020 ), dat de belastingrente terecht door de Belastingdienst is opgelegd.
Gevolgen
Dit was de eerste uitspraak op de procedures die worden gevoerd over de Nedvang bijdrage die gemeenten ontvangen. Wij verwachten dat er een hoger beroep zal worden ingesteld tegen de uitspraak, al is het maar omdat deze procedure voor een elftal gemeenten gezamenlijk is gewezen. Wij volgen de zaken met belangstelling. De Hoge Raad heeft met begraafplaatsen al wel geoordeeld dat overheidsactiviteiten strikt moeten worden uitgelegd.
Met de Subsidieregeling bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) en de Regeling specifieke uitkering stimulering sport (SPUK SPORT) beoogt het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sinds 2019 de ontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen te stimuleren. De BOSA richt zich hierbij op amateursportorganisaties, de SPUK SPORT op gemeenten.
Er heeft een evaluatieonderzoek plaatsgevonden (uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) dat zich heeft gericht op de vraag hoe het beleid rondom sportaccommodaties, met de BOSA en de SPUK SPORT in het bijzonder, verbeterd kan worden. Daarbij is gekeken naar hoe de regelingen op korte termijn verbeterd kunnen worden, maar zijn ook aanbevelingen gedaan voor het inrichten van nieuw beleid na de huidige looptijd van deze regelingen (eind 2023).
Conclusies en aanbevelingen
Conclusies
De BOSA en SPUK blijken in haar huidige hoedanigheid een belangrijke bijdrage te leveren aan het realiseren van investeringen in sportaccommodaties en het financieren van andere kosten die gesubsidieerd worden of waarvoor een uitkering kan worden ontvangen. De BOSA zorgt ervoor dat amateursportorganisaties investeringen überhaupt kunnen realiseren, dat de investeringen omvangrijker worden en/of dat investeringen eerder in de tijd gerealiseerd kunnen worden. Met name voor investeringen in duurzaamheid lijkt de BOSA een belangrijk aandeel te hebben in het (eerder) mogelijk maken van deze investeringen. De SPUK SPORT lijkt een belangrijke bijdrage te leveren aan het voorkomen van bezuinigingen en het voorkomen van het verhogen van huurtarieven.
Tevens is er een aantal belemmeringen vastgesteld waardoor minder wordt geïnvesteerd in sportaccommodaties. Denk hierbij aan het niet halen van het minimale drempelbedrag aan investeringen en het budget dat beschikbaar is om investeringen te kunnen realiseren (financiële weerbaarheid).
Aanbevolen wordt om de huidige BOSA en SPUK, met enkele aanpassingen, als beleidsinstrument te blijven hanteren.
Aanbevelingen
In het evaluatierapport wordt een aantal aanbevelingen aangedragen. Kortgezegd gaat het om de volgende:
-
- Verlagen minimale investeringsbedrag voor toepassing BOSA. Er geldt namelijk een drempelbedrag van € 5.000 aan subsidie om in aanmerking te komen voor de BOSA. Dit staat gelijk aan een minimaal investeringsbedrag van € 16.667, ervan uitgaande dat enkel investeringen worden gedaan waarvoor 30% subsidie wordt verstrekt. Indien enkel wordt geïnvesteerd in maatregelen waarvoor 20% subsidie wordt verstrekt, betekent dit dat minimaal € 25.000 moet worden geïnvesteerd om in aanmerking te komen voor de BOSA. De staatssecretaris van VWS heeft in zijn brief van 25 november 2021 aangegeven om met ingang van 1 januari 2022 het minimum subsidiebedrag voor de BOSA regeling te verlagen naar € 2.500.
-
- Administratieve lastenverlaging voor aanvraag bij gemeenten door het voorschot vast te stellen middels andere methode dan op basis van begroting, bijvoorbeeld op basis van inwonersaantal of de toegekende hoogte uit eerdere jaren. De voorkeur gaat nu uit naar de daadwerkelijke uitgaven uit eerdere jaren.
-
- Inmiddels is het zo dat de minister van VWS de garantie heeft gegeven dat gemeenten volledig worden gecompenseerd voor de uitgaven die zij maken (i.h.k.v. de SPUK). Ook als bij de vaststelling blijkt dat het uitkeringsbudget van de SPUK SPORT hiermee overschreden zal worden. Dit is echter niet bij iedere gemeente bekend. Heldere en bredere communicatie hierover is derhalve aanbevolen.
-
- Verhogen van het uitkeringspercentage SPUK (nu 17,5%) om verduurzamingsmaatregelen te stimuleren, zoals dit ook het geval is voor de BOSA.
-
- Uit de rapportage blijkt verder dat het wenselijk is om duidelijke en onderbouwde beleidstheorieën te formuleren. Daarnaast is aangegeven dat tijdig duidelijkheid moet worden gegeven omtrent het vervolg van de BOSA en de SPUK vanaf 2024. Dit geldt voor zowel de aanvragers als de adviserende partijen.
-
- Tenslotte is aangegeven dat de huidige aanvraagcriteria nader moet worden bekeken en ook jaarlijks tegen het licht moet worden gehouden.
Meer weten? Neem contact op met Marijn van Acht. Hij praat je graag bij over de mogelijkheden.
Vanaf deze maand is de wet- en regelgeving voor de loonheffingen weer op een aantal punten gewijzigd. Een aantal van die wijzigingen worden in deze blog besproken, te weten op het gebied van de fiscale bijtelling op emissievrije personenauto’s, de ingangsdatum AOW en de werkkostenregeling.
Wijziging catalogusprijs emissievrije personenauto’s
Iedereen die minimaal 500 privékilometers per jaar met een auto van de zaak rijdt, krijgt te maken met een fiscale bijtelling. De belastingdienst ziet zo’n auto van de zaak als een looncomponent waarover je belasting dient te betalen. De waarde van de auto wordt voor een bepaald percentage bijgeteld op je salaris. Deze bijtelling wordt voor elektrische (emissievrije) auto’s elk jaar iets hoger. De catalogusprijs (cap) waarover de maximale korting op de fiscale bijtelling voor emissievrije personenauto’s mag worden berekend, is met ingang van 1 januari 2022 verlaagd. Voor 2022 geldt een cataloguswaarde van € 35.000 (was: € 40.000). Dit betekent dat 6% korting (was: 10%) op de normale bijtelling tot maximaal deze catalogusprijs mag worden toegepast. Over de hogere cataloguswaarde betaal je de normale bijtelling van 22%.
AOW-gerechtigde ingangsdatum
De regering heeft met ingang van 2022 de ingangsdatum voor de AOW wederom met 3 maanden verhoogd naar 66 jaar en 7 maanden voor mensen geboren tussen 1 september 1955 en 1 juni 1956. Verder zijn de volgende data vastgesteld:

Wijzigingen werkkostenregeling
Ook zijn er vanaf 2022 een aantal wijzigingen van kracht die betrekking hebben op de werkkostenregeling (WKR). Dit betreft de hoogte van de vrije ruimte, de invoering van de gericht vrijgestelde thuiswerkvergoeding en de regels ten aanzien van de toepassing van de gerichte vrijstelling bij Arbo voorzieningen.
Hoogte vrije ruimte
De hoogte van de vrije ruimte voor het kalenderjaar 2022 bedraagt bij een fiscale loonsom tot € 400.000 1,7% (was: 3%). Voor zover de fiscale loonsom € 400.000 te boven gaat geldt een vrije ruimte van 1,18% (blijft gelijk). De verruiming van de vrije ruimte in 2021 over de eerste € 400.000 fiscale loonsom, om iets extra’s voor werknemers te kunnen doen ten gevolge van Covid-19, is zodoende komen te vervallen.
Thuiswerkvergoeding
Door Covid-19 werken veel werknemers thuis en velen zullen dat na deze periode blijven doen. De oproep van werkgevers voor een mogelijk onbelaste thuiswerkvergoeding werd steeds groter. Het kabinet introduceert daarvoor per 1 januari 2022 een onbelaste thuiswerkvergoeding van maximaal € 2 per dag (te indexeren vanaf 2023). Deze kosten kunnen worden aangewezen als gerichte vrijstelling binnen de werkkostenregeling en komen zodoende niet meer ten laste van de vrije ruimte. Het kabinet baseert zich voor de hoogte van de vergoeding op een onderzoek door het Nibud naar thuiswerkkosten. Er gelden wel enkele restricties.
De werkgever kan per dag óf de onbelaste thuiswerkkostenvergoeding óf de onbelaste reiskostenvergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer geven. Beide kan niet. Dat geldt ook voor dagen waarop de werknemer bijvoorbeeld in de ochtend thuis werkt en in de middag vanuit kantoor. De werkgever maakt de keuze voor het toepassen van een van beide vergoedingen.
De thuiswerkvergoeding kan op basis van de werkelijke thuiswerkdagen worden uitbetaald. De werknemer en werkgever kunnen ook vaste afspraken maken over het aantal dagen per week waarop de werknemer thuiswerkt. In dat geval kan de werkgever voor administratieve lastenverlichting kiezen en gebruik maken van vaste maandvergoedingen, op grond van de 128/214 dagenregeling en bij parttimers naar rato. Hierbij hoeft geen correctie plaats te vinden als incidenteel op een thuiswerkdag toch op de werkplek wordt gewerkt, of andersom. Is er sprake van een structurele wijziging dan dienen de vaste maandvergoedingen te worden aangepast.
Arbo voorzieningen
Tot en met 2021 konden werkgevers de kosten die voor de werknemers gemaakt werden die niet direct samenhingen met de verplichtingen vanuit de Arbowetgeving (denk hierbij bijvoorbeeld aan periodieke persoonlijke medische onderzoeken, stoelmassages, sportactiviteiten, gezonde maaltijden en kosten gemaakt voor een snellere re-integratie van de individuele werknemer) onbelast als gerichte vrijstelling vergoeden. Door een aanpassing in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 is dit vanaf 2022 niet meer mogelijk.
Onder de gerichte vrijstelling vallen vanaf 2022 alleen nog de kosten die direct samenhangen met de verplichtingen van de werkgever ter bestrijding of voorkoming van veiligheids- en gezondheidsrisico’s van werknemers bij het verrichten van de arbeid. Denk hierbij onder andere aan een ergonomisch verantwoorde bureaustoel, een voetenbankje voor beeldschermwerk, een beeldschermbril en veiligheidsschoenen. Kosten die niet direct samenhangen met de verplichtingen vanuit de Arbowetgeving, zoals bijdragen aan een betere gezondheid en een snellere re-integratie, kunnen nog steeds onbelast worden vergoed voor de werknemers maar zullen dan met ingang van 1 januari 2022 als eindheffingsloon ten laste van de vrije ruimte gebracht moeten worden, waarbij er bij een overschrijding van de vrije ruimte eindheffingsplicht ontstaat voor de werkgever.
Heeft u vragen over deze nieuwsbrief of andere thema’s binnen de loonheffingen? Neem dan contact op met onze collega’s Jo Seroo of Anne Opbroek.
