Den Haag, 2 juli 2026
De Tweede Kamer heeft de regering opgeroepen om geen fiscale eindheffing in te voeren voor instellingen die hun anbi-status verliezen. Een motie van die strekking, ingediend door de leden Stoffer (SGP), Grinwis (ChristenUnie) en Hoogeveen (JA21), is op 2 juli 2026 aangenomen tijdens het tweeminutendebat Fiscaliteit. Het was een van de zeven fiscale moties die de Kamer die dag — de laatste vergaderdag voor het zomerreces — aannam.
Wat vraagt de motie?
De motie (Kamerstuk 32140, nr. 321) verzoekt de regering "in ieder geval geen fiscale eindheffing voor voormalige anbi's in te voeren". De indieners wijzen erop dat een dergelijke eindheffing ertoe leidt dat vermogen dat voor het algemeen nut is bestemd — en ook met dat oogmerk is gedoneerd — deels naar de algemene middelen van het Rijk zou vloeien. Dat achten zij zeer onwenselijk.
De motie verwijst daarnaast naar het rapport Evaluatie ANBI- en SBBI-instellingen, waaruit volgens de indieners blijkt dat er belangrijke nadelen kleven aan zowel de eindheffing als aan een algemene belastingplicht voor stichtingen en verenigingen.
Achtergrond: de anbi-plannen van het kabinet
De motie moet worden gezien tegen de achtergrond van de lopende verkenning naar aanscherping van de verplichtingen voor voormalige anbi's. Naar aanleiding van de evaluatie van de anbi- en sbbi-regelingen onderzocht het kabinet drie routes om te voorkomen dat met fiscale voordelen opgebouwd vermogen na verlies van de anbi-status onbeperkt blijft "hangen":
- een bestedingsverplichting voor voormalige anbi's;
- een fiscale eindheffing bij verlies van de anbi-status;
- een algemene belastingplicht voor stichtingen en verenigingen.
In de Kamerbrief van 1 juni 2026 koos staatssecretaris Eerenberg (Financiën) voor de eerste route. Hij wil per 1 januari 2029 een bestedingsverplichting vastleggen in de Uitvoeringsregeling AWR: voormalige anbi's krijgen dan ongeveer twee jaar de tijd om het resterende vermogen aan een algemeen nuttig doel te besteden of over te dragen aan een andere anbi. Bij niet-naleving kan de Belastingdienst een bestuurlijke boete opleggen.
De fiscale eindheffing werd door het kabinet in diezelfde brief al terzijde geschoven: die optie is wetstechnisch complex en kent inhoudelijke bezwaren — precies het bezwaar dat ook de indieners aanvoeren, namelijk dat vermogen dan naar de schatkist vloeit in plaats van naar het maatschappelijke doel.
Reactie van het kabinet
Omdat de motie aansluit bij de eigen lijn van het kabinet, gaf de staatssecretaris tijdens het debat "oordeel Kamer". De motie legt daarmee vooral de reeds ingezette koers politiek vast: de eindheffing is voorlopig van de baan.
Wat betekent dit?
Een aangenomen motie is geen wet, maar een politiek signaal aan de regering. Voor de filantropiesector en voor voormalige anbi's is de boodschap dat de meest ingrijpende variant — een heffing over het achterblijvende vermogen — voorlopig niet in beeld is.
De bestedingsverplichting per 2029 blijft daarentegen op de rol staan; de definitieve invoering daarvan is nog afhankelijk van de gebruikelijke toetsen, waaronder een uitvoeringstoets. Over de derde optie — een algemene belastingplicht voor stichtingen en verenigingen — is een aparte Kamerbrief aangekondigd. Bij het debat vroeg indiener Stoffer de staatssecretaris nog te bevestigen dat het kabinet niet de intentie heeft die algemene belastingplicht in te voeren.
Bronnen: Kamerstuk 32140, nr. 321 (motie-Stoffer c.s.); Handelingen Tweede Kamer, tweeminutendebat Fiscaliteit d.d. 2 juli 2026; Kamerbrief "Stand van zaken verbetermogelijkheden ANBI-regeling", Ministerie van Financiën, 1 juni 2026; rapport Evaluatie ANBI- en SBBI-regelingen
