Het btw-compensatiefonds (BCF) is in 2003 ingevoerd. Uit dit fonds kunnen gemeenten en provincies betaalde btw onder voorwaarden terugvragen. Door de invoering van de herzieningsregeling voor investeringsdiensten kan de situatie ontstaan dat een herziening van btw niet wordt gevolgd door een aanvullend recht op compensatie (of omgekeerd). Dat leidt tot onbedoelde financiële voor- of nadelen. De wet wordt nu zo aangepast dat nu ook binnen het BCF een herziening over vier jaar voor investeringsdiensten boven de € 30.000 geldt.
VOORBEELDEN (zonder aanpassing BCF)
Een gemeente geeft een aannemer opdracht tot het verbouwen van een pand voor € 100.000. De btw hierover bedraagt € 21.000. Deze verbouwing is aan te merken als een investeringsdienst.
Situatie 1
De investeringsdienst wordt direct volledig voor belaste handelingen gebruikt:
- btw: volledig recht op aftrek: € 21.000.
- BCF: Geen recht op compensatie vanwege gebruik als ondernemer.
De investeringsdienst wordt vanaf jaar 2 volledig voor niet-ondernemersactiviteiten gebruikt.
- btw: Herziening gedurende 4 jaar: elk jaar moet 1/5 x € 21.000 worden terugbetaald.
- BCF: Geen mogelijkheid tot herziening.
Gevolg:
- btw jaarlijks terugbetalen: 4 x € 4.200 = € 16.800.
- BCF: Geen compensatie mogelijk: financieel nadeel voor gemeente/provincie € 16.800.
Situatie 2
De investeringsdienst wordt direct volledig voor niet-ondernemersactiviteiten gebruikt:
- btw: Geen recht op aftrek.
- BCF: Volledig recht op compensatie: € 21.000.
De investeringsdienst wordt vanaf jaar 2 volledig voor belaste ondernemershandelingen gebruikt.
- btw: Herziening gedurende 4 jaar, elk jaar 1/5 x € 21.000 in aftrek brengen.
- BCF: Geen herziening mogelijk.
Gevolg:
- btw: alsnog elk jaar teruggaaf: 4 x € 4.200 = € 16.800.
- BCF: geen herziening en dus blijft de volledige compensatie in stand: financieel nadeel voor het Rijk: € 16.800.
De wijziging in de wet BCF heeft tot gevolg dat in bovenbedoelde gevallen ook herziening plaatsvindt.
