De zogeheten pseudo-eindheffing voor fossiele auto’s van de zaak roept veel vragen op bij werkgevers en mobiliteitsbedrijven. De Tweede Kamer stemde in november 2025 in met de regeling, die per 1 januari 2027 ingaat voor nieuwe terbeschikkingstellingen van auto’s van de zaak.
De maatregel houdt in dat werkgevers een extra belasting van 12% van de cataloguswaarde (incl. btw en bpm) moeten betalen wanneer zij een benzine-, diesel- of hybride personenauto ter beschikking stellen aan werknemers voor privégebruik. Voor deze regeling geldt woon-werkverkeer ook als privégebruik, waardoor de heffing in de praktijk snel van toepassing kan zijn.
Er geldt een overgangsregeling voor auto’s die vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld. Deze blijven vrijgesteld tot 17 september 2030, tenzij de auto naar een andere werkgever wordt overgedragen. De pseudo-eindheffing geldt alleen voor personenauto’s (categorie M1) en niet voor bestelauto’s of vrachtwagens. Elektrische en waterstofauto’s vallen buiten de regeling.
Uit recente antwoorden van de Belastingdienst blijkt dat de heffing al geldt zodra een fossiele auto in een maand ook maar kort ter beschikking wordt gesteld, zelfs voor één dag. Ook tijdelijke vervangende auto’s, voorloopauto’s of poolauto’s kunnen onder de regeling vallen. Werkgevers kunnen de heffing alleen vermijden wanneer de auto uitsluitend zakelijk wordt gebruikt, wat moet worden aangetoond met een sluitende rittenregistratie en toezicht op het gebruik.
Brancheorganisatie BOVAG noemt de regeling weinig doelmatig en vreest aanzienlijke uitvoeringsproblemen voor werkgevers. De organisatie geeft aan teleurgesteld te zijn over de uitleg van de Belastingdienst en beraadt zich op vervolgstappen richting het ministerie van Financiën.
Kortom: hoewel de pseudo-eindheffing pas in 2027 ingaat, is nu al duidelijk dat de regeling grote impact kan hebben op werkgevers met een fossiel wagenpark.
Mijn BOVAG – Veelgestelde vragen over de pseudo-eindheffing
